Recent zagen we verschillende communicaties verschijnen van zowel de Psychologencommissie als de VVKP. Hierop ontstonden verscheidene reacties. Het gaat over complexe zaken die we hier willen toelichten. Om te begrijpen waarover de discussie net gaat, is het belangrijk om de geschiedenis van het beroep van klinisch psycholoog mee te belichten en de huidige stand van zaken te schetsen. Daarna gaan we in op de door VVKP gewenste veranderingen. 

Titelbescherming 1993

De wettelijke bescherming van de identiteit van de psycholoog start pas in 1993 met de publicatie van de wet op de titelbescherming. Voor 1993 kon elke persoon zich ongestraft uitgeven voor psycholoog. Door deze wet werd er een wettelijk kader gecreëerd betreffende de titelbescherming. Het is echter pas op 2 december 1996 dat de Psychologencommissie voor de eerste keer samen kwam. Hoewel er een wet was, was er geen bevoegde instantie die het recht had de titel toe te kennen aan de psychologen. Dit werd geregeld via een koninklijk besluit in november 1997. Sindsdien neemt de Psychologencommissie deze taak op zich. De Federale Overheidsdienst (FOD) Economie (nu geëvolueerd naar FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie) bood de Psychologencommissie de mogelijkheid zich onder hen te organiseren. 

Oprichting van een tuchtorgaan 2013

In de voorbereiding naar het statuut van klinisch psycholoog (zie verder) werd de deontologische code voor klinisch psychologen uitgewerkt. Deze verscheen in mei 2014 in het Staatsblad. Gezien de eigenheid van klinisch psychologische handelingen vonden we het belangrijk dat de tuchtraad bestond uit mensen die vertrouwd waren met deze specifieke behandelvorm. Het leek ons onwenselijk dat andere gezondheidszorgberoepen uitspraken deden over tuchtzaken die specifiek de klinisch psychologische zorg aanbelangen. In december 2013 werd daarom de bevoegdheid aan de Psychologencommissie gegeven om te werken rond deontologie. 95% van de psychologen die zich ingeschreven hadden in het register van psychologen bij de Psychologencommissie waren immers klinisch psychologen. De Psychologencommissie zorgde voor de oprichting van de tuchtraden en in de verankering, wettelijk gezien, van een deontologische code. 

Uitoefenen beroep klinisch psycholoog 2016

De volgende stap in de erkenning van het beroep van klinisch psycholoog laat nog lang op zich wachten. De beroepsgroep (bij monde van de VVKP) wenste immers geen paramedisch beroep (werkend onder toezicht van een arts) te worden, maar een autonoom gezondheidszorgberoep. Deze stap werd pas gezet op 1 september 2016. Zoals de meesten onder jullie weten, is hierbij de uitoefening van de klinische psychologie beschermd. Hierdoor moeten we een visum aanvragen bij de FOD Volksgezondheid en als gevolg van de zesde staatshervorming moet de erkenning verstrekt worden door het Vlaams agentschap Zorg en gezondheid. Gelukkig is er na overleg overeengekomen dat het agentschap Zorg en gezondheid de erkenningen voor klinisch psychologen zal verstrekken op basis van het visum. Voor de erkenning als klinisch psycholoog is dus geen nieuwe aanvraag nodig, wel een geldig visum

Gemaakte afspraken

Met de erkenning van het autonoom gezondheidszorgberoep werd op het congres van de Psychologencommissie in 2016 aangekondigd dat de Psychologencommissie zou evolueren naar een Orde van Klinisch Psychologen en dat ze hun tuchtraden onder co-voogdij zouden plaatsen van FOD Volksgezondheid. Op deze manier hadden klinisch psychologen hun eigen tuchtorgaan binnen FOD Volksgezondheid en zouden we niet vallen onder de provinciale gezondheidsinspecties waar andere beroepsgroepen (artsen, kinesitherapeuten, …) de tuchtraad bevolken.  Minister Borsus gaf in zijn toespraak op hetzelfde congres aan dat hij samen met collega-Minister De Block de Psychologencommissie zou laten evolueren naar een gemeenschappelijk orgaan van publiek recht voor alle psychologen, onder co-voogdij van FOD Middenstand en FOD Volksgezondheid. 

Een impasse waar niemand om gevraagd heeft

De hervorming van de tuchtraden was één van de grote hervormingen die Minister De Block aankondigde tijdens haar aantreden. Ondanks het streven van beide ministers bleek een co-voogdijschap over een federale entiteit politiek niet mogelijk. Binnen de Belgische Federatie van Psychologen (BFP, waar naast beroepsverenigingen van klinisch psychologen eveneens beroepsverenigingen van arbeids- en organisatiepsychologen, schoolpsychologen en theoretisch psychologen  deel uitmaken), werd dan overeengekomen om de Psychologencommissie over te hevelen naar FOD Volksgezondheid, maar met het gegeven dat niet-klinisch psychologen zich nog steeds zouden mogen aansluiten bij deze Orde indien zij dit wensten. Helaas is de hervorming van de orde van geneesheren vastgelopen, waardoor alle daaropvolgende stappen (waaronder het oprichten van een Orde voor Klinisch Psychologen) niet zijn kunnen uitgevoerd worden. 


Wat is er nu dan veranderd? In 2018 kwam er weerstand om de Psychologencommissie onder de voogdij van FOD Volksgezondheid te laten komen. Deze keuze heeft echter ingrijpende gevolgen voor alle klinische psychologen.

Probleem - een geschorste psycholoog kan zonder problemen de klinische psychologie beoefenen

Alle klinisch psychologen dienen zich te houden aan de deontologische code. Dit staat buiten kijf. De ingrijpende gevolgen betreffen echter de tuchtprocedures. Door de weigering om deze stap te zetten, is er een vacuüm ontstaan. Als er een klacht ingediend wordt bij de Psychologencommissie, dan wordt deze klacht door hen behandeld. Als tuchtsanctie kunnen zij de titel van psycholoog schorsen of schrappen. Ze hebben echter geen enkele bevoegdheid betreffende het visum of de erkenning. De geschorste of geschrapte klinisch psycholoog in kwestie kan dus nog steeds zonder problemen de klinische psychologie beoefenen. Dit lijkt ons problematisch.

Duidelijkheid over bevoegdheden Psychologencommissie

In de zomer van 2020 stelde Sophie Rohonyi, DéFI een aantal vragen betreffende de bevoegdheid van de Psychologencommissie. Maggie De Block, Open VLD (toen Minister van Volksgezondheid) stelde duidelijk dat de Psychologecommissie uitspraken kan doen over het dragen van de titel van klinisch psycholoog. Terzelfdertijd bevestigde ze dat de uitoefening van het beroep van klinisch psycholoog niet onder de bevoegdheid van de Psychologencommissie valt. Ze gaf ook duidelijkheid over de rol van de geneeskundige commissies. Deze houden zich niet bezig met deontologische kwesties, maar kunnen onder meer het visum intrekken wanneer een gezondheidszorgbeoefenaar (waaronder de klinisch psychologen) niet langer de fysieke of psychische competenties bezit om zijn beroep zonder risico's te kunnen blijven uitoefenen. Onze vrees dat zij zich met deontologische kwesties zouden bezig houden was dus ongegrond.

Probleem - kwaliteitsvolle uitoefening van ons beroep

Gezien het ministerie van Volksgezondheid de Psychologencommissie in die hoedanigheid niet erkent, biedt het aansluiten bij de Psychologencommissie voor de klinisch psychologen weinig nut. De Psychologencommissie heeft geen adviserende functie naar de Minister van Volksgezondheid en dus wordt er ook geen rekening gehouden met haar wat betreft de kwaliteitsvolle uitoefening van de klinische psychologie. Hierdoor kunnen we geen verantwoordelijkheid opnemen en hebben we geen volwaardige vertegenwoordiging zoals de artsen en apothekers in de beleidsorganen.

Conclusie - verantwoordelijkheid en autonomie via erkenning ministerie volksgezondheid

Wat stellen we dan voor? We zien hierin twee scenario’s. In een eerste, meest gewenste, scenario vragen we dat de Psychologencommissie alsnog onder voogdij van FOD Volksgezondheid komt. Op die manier is er de duidelijkheid van één tuchtprocedure voor patiënten en lijken de klinisch psychologen zelf het best beschermd gezien ze hoe dan ook voor een tuchtraad verschijnen die de eigenheid van de klinische psychologie kent. Niet-klinisch psychologen kunnen zich blijven aansluiten bij de Psychologencommissie. 
Gezien we zonder gevolg deze piste vaak benadrukt hebben, hebben we eveneens nagedacht over een tweede scenario. Indien de Psychologencommissie niet onder de voogdij van FOD Volksgezondheid kan komen, bepleiten we een Orde voor Klinisch Psychologen onder voogdij van FOD Volksgezondheid. Als er geen ‘samenwerking’ met de Psychologencommissie bereikt kan worden, dan zou deze instantie  naast de huidige Psychologencommissie bestaan. Op deze manier verzekeren we dat het deontologisch gedrag van klinisch psychologen beoordeeld wordt door klinisch psychologen. Er blijven echter wel twee tuchtprocedures bestaan.

In de hoop hiermee meer duidelijkheid verschaft te hebben.