Archief TKP

Primaire tabs

TKP is ondertussen toe aan de 50e jaargang. Een greep uit het rijke aanbod kan je hier terugvinden.

Muidhond: het verstorend portret van een goed mens die seksueel misbruik pleegt

door Kris Vanhoeck, 45ste jaargang, nr. 4

Romans kunnen op verschillende manieren een plek krijgen in een psychotherapeutisch proces. De therapeut kan zijn cliënt een boek aanraden dat hem deugd zal doen. De cliënt kan er troost, opbeuring, een breder perspectief in vinden. Romans kunnen ook een meer educatieve waarde hebben. De cliënt kan er direct iets uit leren voor zichzelf, of hij kan het hoofdpersonage volgen en via een omweg iets leren. In het forensisch werk gebruiken we deze 'omweg' om een cliënt uit te nodigen over zichzelf na te denken. Deze dubbele functie kunnen romans ook hebben voor therapeuten. Wie neemt er niet eens een spannend boek ter hand om even uit de beladen realiteit te vluchten. Inge Schilperoord schreef zo'n boek. We volgen Jonathan, een arme drommel die in het begin van het boek wordt vrijgelaten uit een Nederlandse kliniek. Hij is in beroep ‘bij gebrek aan bewijs’ vrijgesproken. In eerste aanleg was Jonathan veroordeeld voor seksueel misbruik van een jong meisje. De details worden niet helemaal duidelijk en de eerste veroordeling kwam er 'woord tegen woord'. Jonathan zat in voorhechtenis, werd in het Pieter Baan Centrum op psychiatrische stoornissen en recidivegevaar onderzocht en belandde zo in een tbs-kliniek. Hij ging in beroep, bleef in de tbs-kliniek en wordt dan alsnog vrijgesproken.

Adviesrapport van de Hoge Gezondheidsraad no. 9194. Definitie van en competentieprofiel voor de klinische psychologie in België: samenvatting en gevolgen voor onze beroepsgroep

door Roland Sinnaeve, 45ste jaargang, nr. 4

Begin september 2015 publiceerde de Hoge Gezondheidsraad (HGR), een wetenschappelijk adviesorgaan van de FOD Volksgezondheid, het rapport Definition of and competency profile for clinical psychology in Belgium (Superior Health Council [SHC], 2015). Het rapport bevat een gedetailleerd competentieprofiel  voor collega’s die als generalist willen starten in een onafhankelijke praktijk. De HGR streeft hiermee meerdere doelen na: een helder competentieprofiel kan ertoe bijdragen dat klinisch psychologen maximaal renderen binnen een multidisciplinair systeem; het geeft de faculteiten een kader om hun opleidingen te evalueren; studenten en praktiserende psychologen kunnen er gebruik van maken om zichzelf te evalueren; het biedt duidelijkheid aan cliënten en andere zorgprofessionals; en, tot slot, het profiel kan gebruikt worden door de overheid om de kwaliteit van de geleverde zorg te controleren en om terugbetaling te reguleren. In deze bijdrage worden de voornaamste elementen uit het rapport toegelicht en worden de gevolgen voor onze beroepsgroep overlopen. 

Meldingsrecht of meldingsplicht? De nieuwe deontologische code en de grenzen van het beroepsgeheim

door Koen Korevaar, 45ste jaargang, nr. 2

Op 16 mei 2014 verscheen een koninklijk besluit, waarin de ‘plichtenleer’ van de psycholoog wordt beschreven. Deze deontologische code zal door de tuchtraad van de psychologencommissie worden gebruikt bij de behandeling van klachten. De nieuwe code is gebaseerd op de deontologische code van de Belgische Federatie van Psychologen (BFP, 2004). Daarnaast bevat zij artikelen over het beroepsgeheim.

De nieuwe deontologische code roept vooral de vraag op of de psycholoog in bepaalde gevallen een plicht heeft om zijn beroepsgeheim te doorbreken. Daarom richt deze bijdrage zich vooral op artikel 12 van de code, waarin een meldplicht beschreven wordt. In deze bijdrage wordt aangetoond dat het spreken over een meldingsplicht nieuw is ten opzichte van veel eerdere wetgeving. Hoewel uiteindelijk de tuchtraad van de psychologencommissie dit artikel moet toepassen en daarmee de reikwijdte van dit artikel bepaalt, beoogt deze bijdrage psychologen toch al bewust te maken van de implicaties van dit artikel. 

Cliëntgerichte psychotherapie: update van een veelzijdige experiëntiële benadering

door Mia Leijssen, 45ste jaargang, nr. 2

Cliëntgerichte psychotherapie kent verschillende substromingen waarvan de werkzaamheid empirisch onderbouwd is: de reflectieve of klassieke Rogeriaanse psychotherapie, de experiëntiële benadering met focussen en emotiegerichte therapie, de interactionele of interpersoonlijke therapie, de existentiële of zingevingstherapie en de positieve of existentieel welzijn-therapie. Telkens wordt de therapeutische relatie aangepast aan de problematiek in het hier en nu, aan kinderen en volwassen met uiteenlopende cognitieve vermogens, aan partners, gezinnen en groepen. Cliëntgerichte psychotherapie zet innovatieve methoden in om bewustwording en verandering te bereiken; lichamelijke belevingen, emoties, cognities en acties worden met elkaar in overeenstemming gebracht en hinderende mechanismen directief aangepakt. Bestaans- en zingevingsvragen krijgen erkenning en talenten worden gestimuleerd. Rekening houdend met diagnostische kennis en behandelprotocollen, schept zij ruimte voor onverwachte wendingen waarmee de unieke cliënt de therapeut uitnodigt tot flexibiliteit in een snel evoluerend hulpverleningslandschap.

(Niet) vergeten te meten: de Nederlandstalige Wechsler Memory Scale - Vierde Editie (WMS-IV-NL)

door Zita Bouman, Marc Hendriks, Joëlle Dek, Roy Kessels, Albert Aldenkamp, 45ste jaargang, nr. 2

Internationaal is de Wechsler Memory Scale (WMS) een van de meest gebruikte geheugenbatterijen. De meest recente versie, de Wechsler Memory Scale - Fourth Edition (WMS-IV; Wechsler, 2009), is recent bewerkt en genormeerd voor het gebruik in Nederland: de Nederlandse Wechsler Memory Scale - Vierde Editie (WMS-IV-NL). In dit artikel wordt de inhoud van de WMS-IV-NL grondig beschreven, wordt verder stilgestaan bij het gebruik van de verschillende verkorte versies en ten slotte dieper ingegaan op de interpretatie van deze uitgebreide geheugenbatterij.

De Nederlandstalige vernieuwde en verkorte versie van de MMPI-2, de Minnesota Mutiphasic Personality Inventory-2-Restructured Form : Een geheel nieuwe test of niet?

door De Weerdt, M., van der Heijden, P., Steenhaut, P., & Rossi, G., 45ste jaargang, nr. 1

De Amerikaanse auteurs zien de MMPI-2-RF als een geheel nieuwe test. De items komen uit de MMPI-2 item pool en zijn dus niet vernieuwd. We zijn het echter eens dat dat het wel degelijk om een nieuwe test gaat. De MMPI-2-RF schalen hebben maar een beperkte relatie met de MMPI-2 schalen. De hogere orde factoren sluiten nauw aan bij dimensionale modellen van persoonlijkheid. De geherstructureerde klinische schalen zijn unidimensionaal opgebouwd om klinische kerncomponenten te meten. In combinatie kunnen ze een klinisch syndroom omschrijven, aanvullend met informatie uit specifieke probleemschalen, interesseschalen en de herziene PSY-5 schalen. Het PSY-5 model is conceptueel gelijkaardig aan de pathologische persoonlijkheidsdomeinen voorgesteld in het alternatief dimensionaal trekkenmodel voor persoonlijkheidsstoornissen in DSM-5. De casus ondersteunt dat de RC schalen mogelijk meer predictief zijn voor externaliserend gedrag, maar internaliserend gedrag even goed gevat wordt door de oude klinische als de nieuwe RC schalen. Aan de clinicus om verder te verkennen met beide vormen! 

Draagbare technologie in de geestelijke gezondheidszorg

door Tom Van Daele & Tim Vanhoomissen, 45ste jaargang, nr. 1

Draagbare technologie is een specifieke categorie binnen m-health waarvan de ontwikkeling en commercialisatie de laatste tijd een hoge vlucht nemen. Onder deze draagbare technologie wordt het geheel van sensoren en apparaten verstaan die  een gebruiker op het lichaam draagt  en  worden aangeduid als  ‘wearables’. Het doel van deze wearables is om op een weinig invasieve, maar betrouwbare manier (continu) fysiologische data te verzamelen van de drager. Een logische vraag is dan ook of en hoe deze snel opkomende technologie een rol kan spelen binnen de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Het gebruik van draagbare technologie is binnen de GGZ  immers een relatief onontgonnen terrein.  Dit artikel schetst  een beeld  van de huidige mogelijkheden en valkuilen van wearables binnen de GGZ met  specifieke aandacht voor de rol van klinisch psychologen. . Afsluitend volgt een toekomstvisie met een aantal toepassingen die illustreren wat draagbare technologie op relatief korte termijn kan betekenen voor de klinische praktijk.

Simulatiedetectie van cognitieve stoornissen tijdens neuropsychologische expertisen

door Johan Vereycken, 45ste jaargang, nr. 1

Internationale onderzoeksgegevens brengen een hoge prevalentie van overdrijving of simulatie van cognitieve stoornissen aan het licht tijdens neuropsychologische expertisen, vooral bij patiënten met een licht traumatisch hersenletsel. Gericht onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gepresenteerde cognitieve klachten is dan ook een noodzaak. In deze bijdrage schetsen we de wetenschappelijk onderbouwde  instrumenten die hiervoor voorhanden zijn: cognitieve symptoomvaliditeitststests en ‘embedded’ indicatoren van de traditionele neuropsychologische tests. We formuleren voorts evidence-based aanbevelingen voor een aantal prangende praktijkproblemen die het gebruik van deze instrumenten met zich meebrengt.

Multidisciplinaire richtlijn over autismespectrumstoornissen bij volwassenen: nog veel werk aan de winkel

Primaire tabs

door Johan Vereycken, 44ste jaargang, nr. 4
 

Pr

De recent verschenen Nederlandse multidisciplinaire richtlijn autismespectrumstoornissen (ASS)  bij volwassenen (Kan et al., 2013) wekt om  diverse redenen belangstelling.  Er is de grote vraag naar diagnostiek en begeleiding/behandeling van personen met autistische kenmerken. De kennis over ASS bij hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg laat ook vaak te wensen over. Verder is de diagnostiek van ASS bij volwassenen bijzonder complex. Een ontwikkelingsanamnese is niet altijd mogelijk omdat de ouders overleden zijn, niet willen of kunnen meewerken aan het onderzoek, of omdat de aangemelde persoon het contact met de ouders verbiedt. De diagnostiek bij volwassenen met autistische kenmerken wordt voorts gecompliceerd door de veel voorkomende  psychiatrische comorbiditeit en lastige differentiaaldiagnostische overwegingen.  Deze richtlijn beantwoordt dus aan een reële nood in het praktijkveld. Het is een zogenaamde moederrichtlijn geworden waaruit elke beroepsgroep vervolgens elementen kan filteren die haar aanbelangt. Een keerzijde is dat er heel uiteenlopende thema’s in de richtlijn aan bod komen: herkenning van autistische symptomen bij volwassenen, gespecialiseerde diagnostiek, psychotherapeutische interventies, arbeidshulpverlening, psychofarmacologische en biomedische behandelingen.

Prestatie onder kans: De Smoking Gun van veinzen

door Harald Merckelbach & Isabella Niesten, 44ste jaargang, nr. 4

In deze casus wordt het psychologisch onderzoek bij een verdachte van een poging tot doodslag en diefstal beschreven.  De verdachte herinnert zich niets meer van het delict doch er zijn overweldigende technische bewijzen dat hij het delict gepleegd heeft.  De vraag stelt zich of hij geheugenverlies simuleert. Hij had echter geen afwijkende testuitslagen op tests die wijzen op de aanwezigheid van bizarre of atypische symptomen.  De psychologen die het onderzoek verrichten moeten dus een andere weg inslaan om na te gaan of de verdachte geheugenverlies veinst.          

COTESS: een COgnitieve TEStbatterij voor Senioren

door Paul Dierick, Carine Sachem, Suzy Delarbre, & Ann Cappaert, 44ste jaargang, nr. 4

 

Om dementie en andere cognitieve stoornissen bij ouderen te kunnen vaststellen, de ernst ervan in kaart te brengen en richting te geven aan behandeling en begeleiding is een goed onderbouwd en praktisch diagnostisch instrumentarium nodig. We stellen de COTESS voor als opvolger van de Vlaamse Dementie Batterij (VDB-2). De testen waaruit de COTESS is opgebouwd worden gesitueerd ten opzichte van de cognitieve functies die er vooral mee getest worden: aandachtsfuncties, geheugenfuncties betreffende oriëntatie, anterograde geheugenfuncties (nieuwe informatie leren), retrograde geheugenfuncties (oproepen en herkennen uit het lange termijn geheugen), taalfuncties, somatognosie, praxis, logisch denken en executieve functies. De anterograde geheugentesten met een uitgestelde conditie nemen daarbij een centrale plaats in, samen met de testen die als tussentaken ingeschakeld zijn.

We formuleren argumenten voor de betrouwbaarheid en validiteit die in de testconstructie zelf gelegen zijn en stellen het normeringsonderzoek voor in de populatie “normale ouderen”, zonder geïdentificeerde cognitieve of psychiatrische problemen. Aansluitend vermelden we het lopende normerings- en valideringsonderzoek bij personen met gediagnosticeerde dementie.

Ten slotte bespreken we differentiatiemogelijkheden en beperkingen van de COTESS volgens bepaalde cliëntkenmerken, enkele richtlijnen voor testafname en interpretatie en toepassingsmogelijkheden in diagnostiek en behandelbeleid.